Er was eens een hommel die vloog brommend en zoemend van bloem tot bloem. Iedere bloem kreeg een zoen. Het was een optimistische hommel met een vrolijke blik op de toekomst. Zijn collega hommels werden altijd vrolijk begroet. Hij was de vriendelijkste en aardigste hommel van de omgeving.

Elke ochtend vloog hij vanuit zijn mooie huisje aan de gracht vrolijk en zoemend naar de zonovergoten wereld. Hij kende die wereld nog als kleine hommel. Hij moest altijd van zijn moeder zijn honingontbijt opeten anders zou hij nooit een grote hommel worden.

Nu was hij volwassen en sterk en mooi. Hij vloog met krachtige zoemvleugels naar de door zon gekleurde bloemen. Hij wist precies waar hij de vorige keer was gebleven. Zo kon hij zich dus niet vergissen om een bloem te begroeten waar geen honing meer in zat. Ja, hij was een economisch bewuste hommel.

Zo gingen de dagen voorbij de ene dag nog mooier en vrolijker dan de ander. Hij bestoof bloem na bloem en het volkje waarvan hij afstamde waren allemaal van die vrolijke zoemers en brommers. Hij kon ook goed overweg met de koningin, ja hij was een fan van haar. Helaas had zij het altijd druk met het leggen van eitjes.

Helaas begon de zomer haar einde te naderen. Ook hij voelde dat in zijn hommelgewrichten. Het werd hem steeds zwaarder om vrolijk brommend en zoemend uit te vliegen. Op een dag aan het einde van zomer ging het niet goed met hem. Hij kon nog uitvliegen en naar zijn vorige stop te zoeken, maar wat gek het ademen ging hem ineens zo zwaar, wat raar. Hij voelde zich niet meer zo gelukkig en zijn blik op de toekomst was ook niet meer zo vrolijk. Hij moest steeds uitrusten en zijn vleugels zoemden en bromden niet meer zo uitbundig.

Ineens zat hij op de grond. Hij keek om zich heen, maar wist niet wat er gebeurde.

Hij besefte plotseling dat zijn einde was gekomen. Nooit meer vrolijk de bloemen begroeten en bestuiven. Hij kroop traag en onzeker over de grond. Het ademen ging steeds moeilijker. In zijn gedachten zag hij nog zijn moeder en de koningin naar hem glimlachen. Toen werd het donker, voor altijd.

 In de tuin waar hij node geland was, zag een man hem op de grond liggen. De man was enigszins ontroerd door het dode lijfje van die mooie hommel. De man knielde en met zijn mes tilde de man hem naar zijn laatste rustplaats: in de bladeren van de bloemen waar hij een zomer lang op en langs was gevlogen.

En zo eindigde het vrolijke en optimistische leven van een hommel.

Mark Pol

Dromend in zijn tuin.

21 juli 2018.

Reageer op dit bericht